De keerzijde van een succesvol debuut

In september tweeduizendenveertien besloot ik, in een leven waarin de omstandigheden mijn zijn bepaalden, te kiezen voor een stukje me-time. Ik voelde dat ik het nodig had iets voor mezelf te doen, om mijn leven waarin zorgen voor anderen voorop stond, vol te kunnen houden.
Schrijven was mijn passie, mijn uitlaatklep in mijn kinderjaren, en deze was zoetjesaan verstopt geraakt onder de deken van volwassen worden. Ik zocht deze passie weer op en schreef me in bij De Schrijversacademie. Tijdens de eerste kennismaking met mijn medestudenten ervoer ik dat ik niet alleen stond en dat we de liefde voor het geschreven woord deelden. Maar daar waar er ook studenten waren voor wie schrijven alleen voldoende was, die slechts schreven voor zichzelf en daar voldoening uithaalden, proefde ik bij mezelf al meteen de drive dat ik wilde schrijven om uit te geven. Deze wens sprak ik fluisterend uit, terwijl hij gilde in mijn hoofd.
In de loop van de maanden durfde ik dat waarvan ik droomde, steeds vaker ook hardop uit te spreken, maar even zo vaak kreeg ik te horen dat uitgeven niet mijn doel moest zijn, maar plezier hebben in schrijven. Dat wat ik schreef iets moest zijn voor mezelf en niet iets waarvan ik dacht dat anderen dat wilde lezen. En nooit begreep ik dat. Stelde ik, vooral mezelf, de vraag waarom deze dingen niet gewoon samen konden gaan.
Tegen mijn familie vertelde ik dat ik schreef aan een boek dat uitgegeven zou gaan worden en dat ik de overtuiging had dat het succesvol zou worden. Altijd werd ik getemperd, werd me verteld dat het allemaal niet zo makkelijk was en werd me geluidloos arrogantie verweten.
Van mijn kant was het geen arrogantie, het was zelfs geen wetenschap. Maar het strookte met mijn visie, dat als ik er zelf niet in geloofde, een ander het zeker niet zou doen.
Na De Schrijversacademie schreef ik verder aan De Queridoacademie en kreeg mijn droom steeds mooiere woorden, steeds mooiere zinnen. Tijdens dit proces waren er mensen die me complimenteerden, die me feedback gaven en die me lieten groeien. Maar er was ook een enkeling, juist uit het schrijversvak, die me vertelde dat het me nooit zou lukken. De complimenten en de feedback koesterde ik, stopte ik in een mooi doosje, en borg ik op in mijn laadje voor zelfvertrouwen.
De man de me vertelde dat het me nooit zou lukken werd mijn motor die ik gebruikte om het tegendeel te bewijzen.
‘Geen kind meer’ vond zijn weg naar de uitgever en al snel werd het dat succesvolle debuut waarvan mijn hart hoopte dat het dat zou worden, en mijn mond het als zekerheid had uitgesproken.
Recensenten, lezers, allemaal roemden ze het boek. Radio, televisie, kranten en tijdschriften vertelden over mijn verhaal en binnen drie maanden verscheen de derde druk.

En toen moest er een tweede boek komen. En zachtjesaan sijpelden de woorden binnen, die zich met weerhaakjes vastzetten in mijn hoofd. ‘Het zal Esther nooit meer lukken dit debuut te evenaren.’ ‘Een net zo’n goed boek schrijven zal moeilijk worden.’
Niet alle woorden kwamen van derden. Er zaten ook woorden bij die ik mezelf toesprak. Daar waar ik nog kon debuteren in de luwte van het nooit gepubliceerde woord, werd het nu schrijven onder een zwarte wolk van verwachting.
Waar ik op De Schrijversacademie hoorde dat je moest schrijven wat jezelf leuk vond, en niet moest schrijven voor publicatie, en ik altijd geloofde dat dit samen kon gaan, kwam er nu een derde vernietigende optie bij. Ik ging schrijven waarvan ik dacht dat dit van mij verwacht werd en niet iets waarvan ik genoot.
En opnieuw spraken mijn mond en mijn hart andere woorden met echter één groot verschil. Waar voorheen mijn mond een minder genuanceerde uitspraak over mijn hart deed, spraken beiden nu een andere taal.
Over mijn lippen rolden de woorden vol plezier en vreugde, terwijl mijn hart een steeds zwartere plek werd waarin de passie voor schrijven verloren ging. Het resultaat werd een manuscript dat middels een worsteling was ontstaan en waarmee ik mijn restje plezier in schrijven vernietigde.
Schrijven werd als een drugs, een middel waarvan je dacht afhankelijk te zijn, dat je een euforisch gevoel gaf, maar dat een schaduw van jezelf maakte als de stof was uitgewerkt en je weer moeizaam kruipend op zoek moest naar een nieuw shot.

Ik besloot te stoppen met schrijven. Dat was tenminste wat mijn mond sprak. Maar mijn hart huilde om wat het verloren was. Tot ik een heel lieve mail kreeg van mijn uitgeefster met het verzoek eens te komen praten. In dit gesprek vertelde ik waar ik gelukkig van werd. Schrijven over onderwerpen die er toe doen en niet schrijven over onderwerpen waarvan ik dacht dat lezers ze wilden lezen. En waarvan ik dacht dat de uitgever ze ook niet wilde uitgeven.
Dit bleek een vergissing. Mij werd verteld dat ik moest schrijven wat ik wilde en ik voelde de druk in mijn binnenste verdwijnen. Dat waar ik eerder heilig in geloofde, kwam weer onder het zwarte deken uitgekropen. Plezier in schrijven en schrijven om uit te geven kon samengaan. Mits je schrijft over dat waar jezelf achterstaat.
Ik begon aan een heel nieuw manuscript en de woorden leken als vanzelf te komen. Of het goed is, goed genoeg, dat zal later blijken. Maar ik geloof erin. En geloven in jezelf is het begin naar een succesvol resultaat. Mijn door mezelf opgelegde deadline, een boek per jaar, kan ik niet meer waarmaken. Maar daar waar het schrijven mee begon, iets doen om staande te blijven in de hectiek dat leven heet, volbreng ik weer. Net zoals het geloof in mezelf, dat wat ik doe, succesvol zal worden.

Laat ik afsluiten met een citaat van Nelson Mandela, één van de mensen in de wereld die ik bewonder om zijn wijsheid: “Passie vind je niet door het klein aan te pakken, door genoegen te nemen met een leven dat minder is dan het leven dat je zou kunnen leiden.”

Jij mag er zijn

Op het moment dat ik dit schrijf is 2018 nog geen twee weken oud. De oliebollen zijn op, het vuurwerk nog niet, en we gaan weer over tot de orde van de dag. Goede wensen liggen achter ons, iedereen is gezoend door bekenden en wildvreemden die jou oh zo geweldig leuk, lief en super vinden, en er liggen weer verse, onbeschreven dagen voor ons die we kunnen vullen met woorden die we zelf mogen kiezen. En dat hebben we dan ook alweer massaal gedaan.

Zo bleek dat in Wijk bij Duurstede, een pittoresk stadje met een kleine vierentwintigduizend inwoners, een beloningsplan goed uit te pakken. Tijden de voorlaatste oud op nieuw was er voor dertienduizend euro schade aangericht. Dat moet anders, bedachten ze daar dus, na wat heen en weer gepraat kwam er een plan. Een jongerenwerker toog naar plaatsen waar jongeren samen kwamen en maakte hen bewust van wat spullen kosten. Honderdvijftig euro voor een verkeersbord, vijfhond euro voor een vuilnisbak en des al niet meer. Daarnaast zette hij een beloning in. Er zou dit jaar tienduizend euro begroot worden voor de aankomende oud en nieuw om de, door deze jongeren toegebrachte schade door vuurwerk, te herstellen. Het bedrag dat overbleef mochten de jongen naar eigen inzicht besteden. Resultaat? Afgelopen oud en nieuw had Wijk bij Duurstede een schadepost van vijfentwintighonderdenzestig euro. Geweldig. Als beloning verhoogde de gemeente het overgebleven bedrag met nog eens duizend euro. Er was minder gesloopt en de jongeren leerden dat goed gedrag je wat oplevert. Missie geslaagd. Zou je denken.
Sociale media, nieuwsberichten en de grote positiviteitssite PowNed, gingen los. “Dus als men zich normaal gedraagt wordt men extra beloond? Daar heb ik maar 1 woord voor: ‘Belachelijk.” En: “En zo lacht dat autochtone gajus en al die Nieuwkomers zich de barste om onze bestuurders. Als wij er dan over mopperen lachen ze ons ook uit. De macht is zo pijnlijk duidelijk aan de neolibs, de koloniale migrant en het tuig. Mooi land geworden hier: geld krijgen voor voorzieningen omdat je de boel buiten wat minder in elkaar getrapt hebt dan anders.” En natuurlijk ook: “Wauw als we dit gaan belonen en de jongeren opvoeden dat je beloont word als je niks van een ander sloopt en een ander zijn leven kapot maakt.. wil ik dit land over 20 jaar wel eens zien wat een chaos”.
En dan schrik ik. Word ik geconfronteerd met het besef dat we inmiddels in een maatschappij leven waarin we negatieve middelen zoals bestraffen normaler vinden dan de positieve kracht van belonen. Terwijl we weten dat kinderen, mensen, maar bovenal pubers, veel meer bereid zijn om iets te doen wat wenselijk is met een positieve aanpak dan iets onwenselijks te laten als negatieve aandacht het gevolg is. Het brein, en vooral dat van pubers, is erg gevoelig voor een positieve aanpak en de bezitter van dit brein zal, na beloning, dit wenselijke gedrag herhalen. Wijk bij Duurstede wist dat, leverde het bewijs maar kreeg toch een storm van ongefundeerde kritiek over zich heen van mensen waarvan een groot deel last had van het Calimerosyndroom: “Ik rook niet, ik kauw geen qat, eet en leef gezond, poets netjes mijn tanden en ieder jaar betaal ik meer zorgpremie!?????????” Alsof de gemeente Wijk bij Duurstede plots ook verantwoordelijk is voor de hoogte van de zorgpremie, maar goed, ik typ verder.

Op nieuwjaarsdag zag om 00.47 uur de eerste Weense baby van 2018 het levenslicht. De Oostenrijkse tabloid Heute plaatste dit prachtige feit, want wat is er tenslotte mooier dan nieuw leven, op Facebook en gaf dit bericht kleur door een mooie foto te plaatsen van de gelukkig papa en mama met hun enkele uren oude dochter. De jonge moeder lachte stralend in de camera. Haar nog bleke gezicht kreeg wat kleur door de roze hoofddoek die ze droeg en de donker bebaarde nieuwe papa hield zijn vrouw en dochtertje stevig vast. Hoera! Beschuit met roze muisjes, doen ze dat eigenlijk in Oostenrijk, felicitaties en goede wensen. Of niet. “Ik hoop op een wiegendood.”, “Deporteer dit uitschot.”, en “Als ze achttien is, is ze al een terrorist.”, waren de felicitatiewensen voor dit nieuwbakken gezin. Onze toetsenbordhelden wonen niet alleen in Nederland.

H&M bracht een foto online met daarop een kindertrui uit hun nieuwste collectie. Een te schattig Nigeriaans jongetje met een groene trui met de tekst “Coolest monkey in the jungle”.
De media viel volledig over de mode-keten heen. Het merk was racistisch, contracten werden verbroken en de advertentie werd vliegensvlug verwijderd en excuses werden aangeboden. Terwijl ik alleen maar een stralend jongetje zag die apetrots was, sorry ik kon het niet laten, op zijn coole trui.
Natuurlijk is racisme iets dat we pertinent af moeten keuren. Maar slaan we niet massaal door met het trekken van deze kaart? Want de nu door mij genoemde trui is slechts een voorbeeld van de vele reacties op simpele, eenvoudige, onschuldige uitlatingen die zo uit hun verband getrokken worden dat juist daardoor mensen zich benadeeld voelen. Daar waar eerst nog louter een kind in een trui werd gezien, gingen zich nu mensen racismeslachtoffer voelen van iets dat niet racistisch is en zeker niet zo bedoeld is.
Zijn afbeeldingen, uitspraken, gebruiken, die nu als racistisch worden gezien niet slechts aanleidingen geworden om weer ongefundeerd los te gaan op sociale kanalen en heerlijk weg te kruipen in de slachtofferrol waarin we alle mislukkingen in ons leven aan op kunnen hangen.
Nog niet zo heel lang geleden liep ik door Amsterdam waar in souvenirswinkels voor aandenkens aan Nederland, grof de portemonnee werd getrokken. Zo ook kleding met een wat dubieuze afbeelding. Ik haalde mijn schouders op en liep door. Had er vertrouwen in dat dit slechts een uitvergroting van vooroordelen was en dat niet elk mens buiten Amsterdam de Nederlandse, blanke, vrouw, mij dus, zag als een boerin op klompen die met haar ontblote billen, een kaas onder haar rechterarm en een bos verlepte tulpen in haar linkerhand, zo stonend als een garnaal langs de molens loopt. Degene die dat wel denkt, ach, die is niet wijzer. En, nog belangrijker, ik betrok het zeker niet op mezelf.
Of, zoals de moeder van het jongetje in de H&M reclame op Twitter schreef: “Maak hier toch niet zo’n heisa over, er is niets aan de hand. Ik zie het probleem gewoon niet. Iedereen mag hier zijn mening over hebben, maar het is niet mijn manier van denken. Het is eigenlijk heel simpel. Een zwart kind is een kind en een aap is een dier. Racisten en slachtoffers van racisme denken daar blijkbaar anders over, maar ik behoor tot geen van beide groepen.”
En ik denk te begrijpen wat ze zegt. Natuurlijk zijn er slachtoffers van racisme. Maar je hebt hierin ook vaak een keuze. Als je alles wat je maar enigszins kan draaien naar racisme ook die kant op draait, ben je slachtoffer. En zij wenste dat niet te zijn. Net zoals ik niet wenste, de afbeelding van die trui in Amsterdam al te serieus te nemen, besloot zij, voor zichzelf, de trui van H&M te zien wat het was, een capuchontrui met een grappige tekst.

Ik maak me zorgen om mijn maatschappij. Zorgen om mijn kinderen die moeten leven in een wereld waarin we denken in straffen, mensen met een andere achtergrond zien als terroristisch uitschot en onschuldige woorden onder de noemer rasisme gooien.
Waar heeft verdraagzaamheid plaatsgemaakt voor veroordeling. Wanneer zijn we opgehouden met elkaar proberen te begrijpen en zijn we vaten vol onbegrip geworden.
Komt het door onze onwrikbare liefde voor onze mobiele telefoon, waardoor we geen idee hebben wie er tegenover ons in de trein zit. Omdat we met onze oortjes ingeplugd eelt op onze duim scrollen in plaats van een gesprek te voeren met die andere medereiziger.
Is het de sociale media, waardoor we klakkeloos onze frustratie in hatelijke woorden kunnen spuien omdat we toch niet zien hoe de ontvanger van die woorden reageert. We zijn verdriet, zijn pijn en zijn angst niet in zijn ogen kunnen lezen.
Zijn het de buurten geworden, waarin we wonen maar waar we niet leven zoals leven bedoeld is. We niet niet eens meer altijd weten hoe onze buurman heet, laat staan die vrouw vijf deuren verder. Waar ons huis een eilandje geworden is tussen al die andere eilandjes in plaats van een buurtschap zoals het vroeger was.
Of zijn we te verwend geraakt. Zijn we verleerd dat het leven niet maakbaar is, dat we dankbaar moeten zijn voor wat ons in onze schoot geworpen wordt en geluk mogen hebben voor wat goed gaat in ons leven. Zijn we mensen geworden die voorspoed, gezondheid en geluk zien als ons recht, als iets dat we verdiend hebben en dat we daarmee automatisch mensen bij wie het minder of anders gaat, zien als uitschot dat het er zelf wel naar gemaakt zal hebben.

Kunnen we niet een nieuwe hashtag in het leven roepen? Een teken dat we het zat zijn, de negativiteit, het zeiken om het zeiken, het veroordelen en het lijden aan verbale diarree.
Een vreedzaam verzet, dat zich als een inktvlek verspreid op Facebook, Twitter en Instagram. Waar mensen over praten, waar media over schrijven.
Een symbool waardoor we ons bewust worden dat we allemaal reizigers zijn in onze gezamenlijke trein die ‘leven’ heet en waardoor we ons bewust worden dat we moeten praten met onze medereizigers.
Dat we als status in onze whatsapp kunnen zetten, zodat mensen weten dat we na 20.00 uur alleen nog te spreken zijn en niet meer louter communiceren via berichtjes die vaak verkeerd geïnterpreteerd worden omdat je geen intonatie hebt.
Laten we weer kijken, luisteren en praten met elkaar, simpel omdat die ander het waard is, en niet alleen maar, zonder fysiek contact, schelden op en oordelen over elkaar.
Zullen we weer interesse tonen, nieuwsgierig zijn naar wat we niet kennen, zodat onze visie verbreedt wordt en we niet opgesloten raken in ons zelf opgelegde beperkingen.
Ik doe de aftrap, doe jij mee? #youcanbethere

Het jaar 2017 in vogelvlucht

De overgang van tweeduizendzestien naar tweeduizendzeventien deden we massaal, en lekker genderneutraal, met gelakte nagels, dankzij een zesjarig jongetje dat in zijn korte leventje, het verschil wilde maken. Tijn had hersenstamkanker en zou dood gaan, maar graag wilde hij wat doen voor anderen, die weliswaar langer te leven hadden, maar in minder goede omstandigheden dan hijzelf moesten leven. Dus besloot het jongetje honderd euro op te halen voor het goede doel door het lakken van nagels. Honderd euro werd tweeëneenhalfmiljoen euro maar Tijn liet ons nog even doorlakken waardoor mannen en vrouwen met bontgekleurde nagels het nieuwe jaar inknalden.

Toch bleken we ook, ondanks die mooie nagels, regelmatig lak aan elkaar te hebben. Maakte Zwarte Piet al veel tongen los en toonden we weinig begrip voor elkaars standpunt, als het om echte mensen ging was het vaak echt bar en boos. ‘Vol is vol’, ‘Eigen volk eerst’ en ‘Ga terug naar je eigen land’ waren veel gebruikte zinnen en de bezittelijke voornaamwoorden als ‘mijn’ en ‘ons’ bleken vrij goed te spellen op sociale media. Weliswaar vaak met de caps lock aan en zonder punten in zinnen, maar voor iedereen was de strekking duidelijk. Dit is mijn land en zij zijn niet ons probleem. Door mijn werk zag ik regelmatig ouders en kinderen die de pech hadden dat hun wiegje niet in Nederland stond. Ik zag ze soms meer moeite doen om zich in goed Nederlands verstaanbaar te maken dan menig landgenoot en in hun dossiers las ik verhalen die slechts in mijn ergste nachtmerries voorkwamen, maar voor deze gezinnen helaas de keiharde werkelijkheid was. Ik nam mijn jongste mee naar een vluchtelingenopvang en ik was trots te zien hoe onbevangen hij deze mensen tegemoet trad en de pijn in hun ogen herkende, maar belangrijker, erkende.                                                                                                                                  Natuurlijk ben ik ontroerd geraakt, dit jaar, door het zien van al die gelakte nagels. Maar met nagels lakken alleen komen we er niet. We komen er als we, net als een zesjarige jongen uit Hapert en een twaalfjarige jongen uit mijn woonplaats, durven te kijken naar het leed van anderen en daar, zonder oordeel, iets aan willen doen.

Toen tweeduizendzeventien koud begonnen was moesten we afscheid nemen van de man wiens geesteskindje we allemaal kennen. Het konijntje dat, luisterend naar verschillende namen, de wereld overging en harten stal door de eenvoudige lijnen, waaruit het slechts bestond. Teken twee zwarte puntjes en zet er in het midden een zwart, liggend kruis onder en de wereld roept ‘Nijntje’, ‘Miffy’, ‘Coelhinho’, Usako-Chan’, ‘Petit Lapin’, of nog vele andere namen, afhankelijk van waar je staat te tekenen. In Dick Bruna verloren we een man die ons toonde dat het leven simpel kan zijn en dat we, als mens, universeel zijn, ongeacht waar onze ouders ons gemaakt hebben.

Ook leerde dit jaar ons dat genderneutraal het nieuwe woord voor mens is. Man, vrouw, het werden bijna verboden woorden. We kunnen voortaan genderneutraalplassen, al zit het heel beroerd op zo’n plasbak, kunnen genderneutrale kleding kopen, al willen mijn jongens nog steeds niet in een jurk gezien worden en kwam er steeds meer druk om paspoorten genderneutraal te maken. Zelf begrijp ik die hele discussie niet zo goed, ik ben trots op mijn vrouw-zijn, maar ik kan me wel voostellen dat er mensen zijn voor wie deze neutralisering van sekse een uitkomst kan zijn.                              Het voordeel zie ik dan vooral in het voetbal. Waar mannen voor tweeëntwintigduizend euro per maand nog geen deuk in een pakje boter schoppen, werden de vrouwen voor slechts zeshonderd euro per maand Europees kampioen en lieten ze Nederland trots zijn op Oranje. Menige zuur kijkende, mannelijke, Nederlander kwam hierover commentaar leveren op televisie en in de sociale media, maar zij hadden waarschijnlijk het genderneutrale nog niet meegekregen. Het waren niet onze leeuwinnen die kampioen werden. Nee hoor. Wij werden  Europees kampioen. En ook Mohamed, Fatima, Anass en Manar. Want zij zijn onze nieuwe Nederlanders, of je dat nu leuk vindt of niet.

Ook de #metoo hashtag werd gelauwerd en gevreesd. Waar vroeger flirten nog een spel was, werd het nu seksuele intimidatie en vrijwel elke vrouw was een slachtoffer van een hitsige testosteronbom. De dood van Anne Faber zwengelde de discussie nog heftiger aan en werd een nationaal drama terwijl het, zoals ik het zie, alleen een drama zou moeten zijn voor haar geliefden en, nu schop ik tegen heilige huisjes, een drama voor de geliefden van de verdachte in deze zaak. Want ja, ook verdachten hebben, net als slachtoffers, mensen die van hen houden. Zij hebben recht op hun verdriet, hun tranen, hun woede, hun machteloosheid en hun frustratie. Alleen zij. En niet wij die, voor er een selfie van een quasi verdrietig meisje in de regen, in de media was verschenen, nog nooit van Anne Faber gehoord hadden.                                         Let wel, verkrachting, aanranding, seksuele intimidatie, het mag niet. Maar het is niet altijd zwart-wit, vaak heeft het verhaal meerdere kanten en het mag nooit een doel zijn om aandacht te krijgen of wraak te nemen. De hashtag #metoo helpt daar niet bij. Het helpt geen slachtoffers en het helpt niet in preventie. Voorlichting, een goed werkend opsporingsteam, adequate deskundigen voor als het mis gaat en een onbevooroordeelde en open blik wel.

Maar wat was het jaar tweeduizendzeventien voor mij? Want, behalve de hoogte- en dieptepunten die we allemaal hebben ervaren, heeft iedereen natuurlijk ook een persoonlijk jaar achter de rug. Waar tweeduizendzestien nog een jaar was van herstellen van wat achter mij en mijn gezin lag, was tweeduizendzeventien het jaar dat de titel: “Succes is the best revenge”, mag krijgen.

Na spannend afwachten verscheen eind maart mijn spannende roman “Geen kind meer” een boek gebaseerd op mijn ervaring met #metoo, lang voordat de hashtag bestond. Een droomdebuut dat al snel toewas aan zijn derde druk en dat, met een gemiddelde van viereneenhalve ster, hoog in de lijsten eindigde. Iets dat ik vooral te danken heb aan mijn lezers. Want een schrijver kan schrijven, maar de lezers beoordelen wat je op papier hebt neergezet. De kers op de taart was de hoge vier sterren notering in de Vrij Nederland Detective en Thrillergids.

Fotosessies volgden en radio, televisie, kranten en bladen hadden het over mij en mijn boek. Radio één, RTL Late Night, Margriet, Libelle, Opzij, Metro, Vrouw, Linda en diverse kranten, het ging over mijn verhaal. Mijn stem kwam door de ether, ik mocht aan tafel bij Beau van Erven Dorens en mijn gezicht viel door menig brievenbus of lag in de schappen van de bladen. Het was bizar, beangstigend, bijzonder en geweldig tegelijkertijd.

Door mijn ervaring als moeder van een onterecht beschuldigd kind, die ik aan de openbaarheid had toevertrouwd, kreeg ik de kans mee te werken aan een symposium voor onterecht beschuldigden in een zedenzaak. Ik mocht een steentje bijdragen om deze vergeten slachtoffers een gezicht te geven. Dat ik in de koffer met Everon Jackson Hooi mee op vakantie mocht, oké mijn boek dan, was kicken. Dat ik gezoend heb met Beau van Erven Dorens, jaja slechts zijn wang, was lekker.                                                                                                                 Maar voor een zaal staan met mensen die de pijn ervaren hebben die wij, als gezin, gehad hebben, hen te kunnen troosten door de herkenning die mijn boek hen gaf, door met mijn mond hun verdriet uit te mogen spreken, bracht me werkelijk tot tranen. ‘Geen kind meer’ heeft mijn leven verrijkt, maar dit symposium was goud.

Verder werd ik dit jaar vijftig, vierden we ons twaalfeneenhalfjarig huwelijk met ons gezin in de sprookjeswereld van Disneyland Parijs en romantisch bovenop de Eiffeltoren, ging de oudste het huis uit, de jongste naar de middelbare school en werd de middelste steeds meer weer degene die hij in de achterliggende periode verloren was. Een lieve, zorgzame, zachte, jongvolwassene. Zijn zelfvertrouwen moet nog groeien, zijn onzekerheid speelt nog wel eens op, soms mag hij beter nadenken, maar hij gaat er komen. Dat vertrouwen heb ik in hem en, net zo goed, in de andere twee.

In de afsluitende fase van tweeduizendzeventien ben ik bezig met wat in tweeduizendachtien gaat komen. Momenteel ben ik druk met het jureren van de spannende categorieën van de Sweekstars-wedstrijd van Sweek waarvan de uitslag in januari bekend gemaakt gaat worden.                                                    Mijn manuscript voor boek twee, ‘De duivel woont thuis’, ligt net bij de uitgever en zal, als alles goed gaat, komend jaar zijn weg naar mijn lezers gaan vinden.

Tweeduizendzeventien was een goed jaar. Een jaar met heel veel hoogtepunten die me hielpen de dieptepunten te aanvaarden. Komend jaar hoop ik op gezondheid en geluk.                                                                                              Op boekenvlak, een nieuw boek dat met net zoveel plezier gelezen zal gaan worden door mijn lezers. En, vooruit, spugen op De Schaduwprijs zal ik ook niet doen.

Tot slot, voor iedereen een gelukkig, inspirerend en misdadig goed tweeduizendachtien!

Zoenen met Beau van Erven Dorens en in de koffer bij Everon Jackson Hooi

Dit was de titel die ik voor ogen had om een column over te schrijven. Een stukje over mijn avonturen bij RTL Summer Night, de zomereditie van RTL Late Night waar ik te gast was. Maar mijn hoofd staat niet naar vrolijke teksten. In mijn hoofd zit ‘Me Too’ en mijn kritische kijk daarop.  Dus vast een waarschuwing vooraf, wil je graag ontspannen en bulderend van het lachen, columns lezen, sla deze dan even over. Dit stuk zal kritisch zijn. Het is geenszins mijn bedoeling mensen te kwetsen. Wat ik probeer te bereiken is, en dat ligt in de lijn van mijn boek ‘Geen kind meer’, dat lezers even iets langer nadenken over de strekking van mijn geschreven woorden.

Om verwarring te voorkomen heb ik het in deze column steeds over mannen en vrouwen. Toch kun je veelal daar waar mannen staat, vrouwen lezen, en andersom.

 

Me Too, mits je de afgelopen dagen niet onder een steen gebivakkeerd hebt, kon je daar niet omheen. #metoo. Kranten, tijdschriften, televisie, radio, sociale media, je werd overspoelt door vrouwen die via deze hashtag, aangaven een ervaring te hebben met seksueel geweld. Zelf kreeg ik de indruk dat elke vrouw een slachtoffer was. En ja, ik denk, als je het in de breedste zin van het woord neemt, dat dat ook zo is. Ook ik heb te maken gehad met manieren van seksuele benadering die ik zelf niet gekozen zou hebben. Maar van mij heb je de hashtag niet voorbij zien komen. Ik ga zo uitleggen waarom niet.

Laat ik vooropstellen dat seksueel geweld ten alle tijden bekritiseert en bestraft moet worden. De manier waarop je dat bestraft, ik geloof namelijk niet in gevangenisstraf maar in hulp om recidive te voorkomen, is een andere discussie en wil ik nu niet voeren. Maar dat we jongens, mannen, die over seksuele grenzen gaan leren respectvol met vrouwen om te gaan, lijkt me zinvol.

Toch komt hier meteen mijn kritische noot. Want waar ligt die grens? En is het overschrijden daarvan louter te wijten aan mannen of zijn wij vrouwen, meisjes, niet altijd helder in het aangeven van ons ‘Nee’. Zijn mannen, jongens, feitelijk slecht in het interpreteren van signalen en zijn wij vrouwen, per definitie helder en maar voor één uitleg vatbaar in onze attitude.

Even terug naar mezelf. Ja, in deze fase van mijn leven ben ik helder tussen de lakens. Ik weet wat ik wil, weet wat ik niet wil, en zeg dat. En mocht mijn man, want meer bedpartners heb ik momenteel niet, over mijn grens heen gaan dan heeft hij een probleem. Maar was ik altijd zo assertief? Nee, zeker niet. Ook mijn eerste schreden op mijn seksuele weg waren wankel en onzeker. En de jongens die mij wegwijs maakten op dit pad hadden zelf ook nog geen heel goed ingestelde TomTom. Daarin zijn fouten gemaakt. Zijn me dingen overkomen die ik niet wilde. Zaten tongen, handen, vingers, op plekken waar ik ze niet wilde hebben. Maar ik durfde geen nee te zeggen. Liet het toe. Maar mag ik dat bij de eigenaren van deze lichaamsdelen neerleggen? Nee, dat zou unfair zijn. Dat ik niets durfde te zeggen lag namelijk niet aan hen maar aan mijn onervarenheid. Mogelijk was ik minder enthousiast dan zij hadden gehoopt. Hadden ze dat op kunnen merken. Maar, mochten ze dit al gemerkt hebben door hun door hormonen overgenomen hersenen, dan had ze dat misschien wel net zo onzeker gemaakt als dat ik me voelde. Liet het ze twijfelen aan hun eigen seksuele kwaliteiten. Want zij waren net zo onervaren op het liefdespad als dat ik dat was. Ja, mijn grenzen werden overschreden, maar dit is nooit de intentie geweest van deze jongens. Daar ben ik van overtuigd.

En daar komt meteen mijn kritische punt om de hoek kijken. Ja, er zijn helaas heel veel vrouwen die zich seksueel misbruikt weten. De intentie van de persoon waar zij mee te maken kregen was seksuele macht. Deze misbruikte vrouwen zijn verkracht, geïntimideerd, vernederd, mishandeld en soms ook vermoord. Dat is een vaststaand feit. Zij verdienen, soms postuum, ons mededogen.

Maar heel veel vaker is het niet zo zwart-wit. Is het uitgangspunt hetzelfde als mijn persoonlijke ervaring. Ja, de vrouw voelt zich seksueel misbruikt, maar de man is zich van geen kwaad bewust. En beide hebben gelijk.

Seksualiteit is een wankele materie. Onze beleving hierin verschilt van persoon tot persoon. Dus ook onze manier waarin we dit uitten, ervaren en ondergaan. Daar waar de één wild wordt van seksuele onderwerping heeft de ander het liefs poezeligheid aan het naakte lijf. In de meeste gevallen gaat dit gelukkig goed. Het wordt anders als we onervaren zijn, onzeker, ongemakkelijk in dat wat we samen doen. In dit wazig schimmenspel kan het ontstaan, dat de man denkt een voor beide prettige seksuele ervaring gehad te hebben en de vrouw zich misbruikt voelt. En daar komt mijn aversie tegen de hashtag Me Too. Het doel van deze actie vind ik subliem. Aandacht voor seksuele overschrijding. Toch voelt het voor mij steeds meer als een uit de hand gelopen actie om mannen weg te zetten als een stelletje onderontwikkelde Neanderthalers met een empathisch vermogen van een amoebe en slechts gedreven door innerlijke driften. En zet het vrouwen in de spotlights als onschuldige, overrompelde, machteloze slachtoffers die stelselmatig misbruikt worden door deze slechte mannen. En dan huilt mijn hart. Dan denk ik aan mijn zonen die op dit moment opgroeien in een wereld die hen misschien niet veroordeeld maar waar in elk geval wel met een wantrouwend oog naar ze gegluurd wordt, puur om het simpele feit dat ze van het mannelijke geslacht zijn. Mijn hart huilt om de meisjes die nu het idee krijgen dat seksueel misbruik hun voorland is, gezien de veel hashtags die wereldwijd voorbij komen.

Tot slot huilt mijn hart om al die mensen die werkelijk te maken hebben gehad met seksueel geweld maar wiens ervaring, voor mijn gevoel, nu gebagatelliseerd wordt door de #metoo. Want, zonder iemand voor het hoofd te willen stoten, heb ik de overtuiging dat veel van deze hashtags geschreven zijn door vrouwen die absoluut te maken hebben gehad met een andere uiting van seksualiteit dan ze verkozen zouden hebben maar dat is, in mijn ogen, wat anders dan seksueel geweld. Hadden deze vrouwen ooit nog aan dat wat hun overkomen is gedacht, als deze actie niet was ontstaan, achtervolgd het gebeuren ze nog regelmatig in hun dromen, heeft deze ervaring ze veel strijd gekost om een gezonde relatie op te bouwen, hebben ze onder de douche gestaan om hun schaamte van zich af te spoelen, hun huid stuk geschrobd omdat de viezigheid door hun poriën naar buiten leek te komen, hebben ze doodsangst en vernedering ervaren toen het ze overkwam.

 

Ja, een ongewenste hand op je bil of op je borst is ook vernedering. Ook mij is dat overkomen. Ook ik ben door sommige mannen gezien als object en niet als respectvol mens. Maar ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik me ook wel eens schuldig heb gemaakt aan het uitbuiten van juist dat vermogen van mannen om vrouwen soms meer als lustobject te zien dan als respectvol wezen. De agent die me op de bon wilde slingeren was niet immuun voor mijn kirrende lach en mijn knipperende ogen. En de barkeeper achter de overvolle bar kwam net wat sneller mijn kant op toen ik aan mijn truitje trok waardoor mijn decolleté wat dieper werd. In wezen heb ik hen misbruikt om mijn doel te behalen, geen bekeuring en een kortere wachttijd voor mijn drankje. Die mannen wisten dat, ik wist dat. En soms liep ik een blauwtje. Pakte mijn poging van seksuele uitbuiting verkeerd uit en stond ik extra lang aan die bar te wachten op mijn drankje en kreeg ik de prent van mijnheer agent keihard in mijn hand gedrukt. Dus, mochten er ook #metoo van agenten of barkeepers zijn, ze kunnen over mij gaan. Wat ik hiermee wil aangeven is dat we mensen zijn en we als mens grenzen opzoeken. Dat is hoe we leren in het leven. En daarin maken we fouten, kwetsen we elkaar en stoten we onze neus. Het verschil zit hem voor mij in de intentie. Die hand op mijn bil, nee, ik vind dat niet prettig. Maar is het eenmalig dan vind ik het de hashtag Me Too onwaardig. Het wordt anders als die hand vaker gebruikt worden, intimiderend wordt, bedoeld is om mij te onderwerpen. Dan is het geen levensles meer maar een bewuste uiting van grenzeloosheid.

 

Toch was niet alleen het voor mij wat te overvloedig gebruik van de hashtag wat me in deze discussie raakte de afgelopen dagen. Regelmatig werd er aangekaart door eveneens kritische noten, dat we uit moesten kijken dat we mannen niet onterecht gingen beschuldigen van seksueel geweld. Gelukkig, dacht ik dan, er zijn meer mensen die terughoudend zijn in hun visie op deze, terechte, actie. Helaas was mijn gevoel van opluchting vaak van korte duur en kwam daar pure verontwaardiging voor in de plaats als ik het antwoord hoorde. Onterechte beschuldigingen kwamen weinig voor en waren het probleem niet. Ja, treurig voor deze mannen maar er lopen zoveel verkrachters los rond dat ze niet moesten zeuren. Het gaat maar om zo’n kleine groep ten op zichtte van verkrachte vrouwen, dat deze mannen zich maar, zonder mokken, neer moeten leggen bij het feit dat ze onterecht beschuldigd waren.

Oké, dat je als ouder je kind verliest is erg, maar hé, andersom komt veel vaker voor dus je moet er niet over zeuren.

Dat je als man borstkanker krijgt is rot, maar weet je wel hoeveel vrouwen borstkanker krijgen.

Vervelend joh, dat je je baan verliest, maar weet je wel hoeveel mensen niet kunnen werken omdat ze iets mankeren.

Heb ik mijn punt gemaakt? Waarom wordt leed zo vaak een wedstrijdje ver pissen? Waarom kunnen we elkaars leed niet respecteren. Waarom was het antwoord op deze opmerking niet: ‘Ja, onterecht beschuldigd worden van seksueel geweld is ook een vorm van seksuele grensoverschrijding.’

Op Facebook stond, op een pagina van een tijdschrift, een stuk over Me Too. Ik zal een klein stukje citeren: “Meteen moeten we het ook weer hebben over valse aangiftes en hoe erg dat is over mannen die daarmee te malen krijgen. Heel erg. Maar het gaat maar om een klein percentage en bovendien doen überhaupt maar weinig slachtoffers aangifte. Kunnen we misschien dus even focussen op het echte probleem?”

‘Meteen moeten we het weer hebben over valse aangiftes’. Sorry, maar sla de literatuur in welke vorm dan ook, de wetenschap en de media erop na, dan zal je heel veel meer artikelen vinden over seksueel misbruik dan over valse aangiftes. Dus dat “Moeten we het weer hebben” is schromelijk overdreven en strookt geenszins met de feitelijkheden.

‘Maar het gaat maar om een klein percentage’. Dat klopt niet. Wel als je het zet tegenover verkrachtingen maar doet dat er eigenlijk toe? Het leven van de mannen die dit overkomt is net zo kapot gemaakt als het leven van verkrachte vrouwen. Ook deze mannen zijn slachtoffer van seksueel overschrijdend gedrag. Dus waarom überhaupt dit onderscheid maken? Waarom worden ze niet erkend en als slachtoffer meegenomen in deze discussie?

‘Er doen überhaupt maar weinig slachtoffers aangifte’. Dat is triest. Maar geen argument om dan maar voorbij te gaan aan valse dan wel onterechte aangiftes. Voor mij is dit een slechte onderbouwing. Dus als er weinig mensen aangifte doen van iets mogen degene die valselijk beschuldig worden niet erkend worden als slachtoffer?

‘Even focussen op het echte probleem’. Dus vals beschuldigd worden is geen echt probleem?

Voor mij is dit hele geciteerde stuk het ultieme staaltje ver pissen. Voor wie is het het ergst? Voor mij! Voor mij! Wat komt het vaakst voor? Dat van mij! Dat van mij!

Je zal mij zelden zien reageren op Facebook omdat ik vaak vind dat vooral de emoties regeren en niet de ratio. En ja, ik begrijp de emoties wel maar hierdoor worden vaak dingen online geslingerd die kwetsend zijn. Toch kon ik het nu niet laten en reageerde ik op dit artikel. Ik riep op om niet de discussie te voeren over wat nu het werkelijke probleem was maar om beide problemen te erkennen. De reacties kwamen. Wat ik schreef was slap, misogyne gelul over valse aangiftes. Nu moest ik dat misogyne even opzoeken maar het betekend vrouwenhaat. Dus als ik zeg dat verkracht worden net zo erg is als vals beschuldigd worden van verkrachting doe ik aan vrouwenhaat. Ik ga me hierin niet eens verdedigen zo dom vind ik het.

Ook werd er gezegd dat bij de aangiftes van inbraak ook de vraag niet werd gesteld of het vals was of niet. Dat weet ik niet, ik ben geen politieambtenaar. Maar bij een inbraak doe ik over het algemeen aangifte van een gebeurtenis zonder een naam te noemen. Bij een onterechte aangifte van seksueel geweld is dat anders. Daar wordt een man onterecht beschuldigd van een A-misdrijf, de meeste zware categorie van misdrijven die we kennen. Dat vind ik toch echt wat anders dan een aangifte van een inbraak.

Vervolgens werd mij gevraagd wat ik ga doen aan de verkrachters die vrij rondlopen omdat dit ook over mijn veiligheid en rechten ging. Fijn dat schrijver van deze woorden mij zo hoog inschatte dat er de gedachte was dat ik in staat ben überhaupt iets te doen aan vrij rondlopende verkrachters, maar dan moet ik teleurstellen. Ik ga daar niets aan doen, simpelweg omdat dit niet in mijn macht ligt. Daarnaast voel ik me niet onveilig door rondlopende verkrachters. De meeste mannen die ik tegenkom verkrachten namelijk niet. En nee, dan zeg ik niet dat het me niet kan overkomen, zeg ik niet dat het niet ernstig is als het wel gebeurd, maar ik weiger me onveilig te voelen door iets dat me nooit is overkomen.

En daarmee kom ik terug op de veelvuldige gebruikte #metoo en waarom ik, ondanks dat ik te maken heb gehad met seksuele grensoverschrijding, de hashtag niet heb gebruikt. Dat wat mij is overkomen heeft me niet onderworpen, heeft me niet angstig gemaakt, heeft me het vertrouwen in mannen niet doen verliezen, ben ik niet in therapie gehoeven, of wat al dies meer. Dus voor mij niet hashtagwaardig. Wat me wel heeft onderworpen, me angstig heeft gemaakt, me het vertrouwen in mensen heeft doen verliezen en waarvoor ik in therapie ben geweest is de onterechte beschuldiging van verkrachting tegen mij zoon. Volgens diverse opinies geen probleem en iets dat maar sporadisch voorkomt. Maar voor mij, voor  mijn gezin, mijn familie, voelde het anders. Wij allemaal hebben iets dat mooi zou moeten zijn, seksualiteit, ervaren als iets smerigs. Iets waarover we moesten praten met rechercheurs, met rechters, met advocaten. Met mensen die we niet kenden moesten we het hebben over dat wat ons het meest intiem was. Seksualiteit.

De persoonlijkheid van mijn zoon, mijn kind, werd onder een vergrootglas gelegd. Mijn opvoedkundige kwaliteiten werden veroordeeld en alles wat ik hierover zei werd verdraaid en verkeerd geïnterpreteerd. We werden als gezin met de nek aangekeken en zelfs na vrijspraak zullen we nooit echt vrij zijn, want waar rook is, is vuur en, zo wordt er ook geoordeeld, hij is vrijgesproken bij gebrek aan bewijs.

Aangifte tegen de meisjes? Nee, dat wilde mijn zoon niet. Want wie zou hem geloven? En dan moest hij weet vertellen over wat hem overkomen was, zijn rol daarin. Alle kritische vragen beantwoorden terwijl hij alleen wilde vergeten en doorgaan met zijn leven. Wat zou het hem opleveren. Wat had hij aan wraak. En ook, ondanks alles, de twijfel, de onzekerheid, de schaamte, over dat het hem overkwam, dat hij misschien toch, ergens een aandeel daarin had.

Alle emoties, gevoelens, angsten die horen bij grensoverschrijdend seksueel gedrag passeerden de revue. Ook bij mij. Nee, ik ben niet verkracht. Maar toch, bij deze #metoo.

Fotoshoot.

Als je het geluk hebt je manuscript in een fonds van een uitgever te krijgen, is dat natuurlijk geweldig fijn. Het is een compliment voor al je jaren ploeteren, een erkenning voor wat uit je hersenpan is ontsproten, de kers op de taart. Euforisch rijd je naar huis en dagenlang loop je met een glimlach op je gezicht rond. Hoeveel regen er ook valt die dagen, hoe chagrijnig de vrouw achter de kassa, hoe dik de middelvinger van de chauffeur op de snelweg, die glimlach blijft. Alsof het in steen gebeiteld is.

Alles wat daarop volgt, de redactiefase, het uitzoeken van een cover, het schrijven van de flaptekst, is even spannend en bijzonder. Tot dat ene moment. Dat telefoontje dat alles verandert. Dat maakt dat spannend niet meer leuk is, maar eng.

‘Dag Esther. Ik belde even om een afspraak te maken voor wat foto’s.’ De stem is vriendelijk, zoals altijd als ik contact heb met de uitgever. Toch staat het zweet me op de rug. Krijg ik visioenen van mezelf, krampachtig voor een camera van een fotograaf die zuchtend probeert van mijn hoofd nog wat leuks te maken, maar die op voorhand al weet dat dit een verloren missie is.

Toch stem ik toe want een leven van auteur kan natuurlijk niet louter over rozen gaan.

Uiteindelijk komt dan toch de dag die ik zo vreesde. Al dagen van te voren stond ik mezelf te keuren voor de spiegel. Achter me, op het bed, groeide de stapel kleding. Mijn make-uptafel een wanorde met lippenstift en ogenschaduw in alle kleuren van de regenboog. De prullenbak tot aan de rand gevuld met watjes vol met vegen van al mijn proefsessies.

Met het meest kekke setje aan, wat andere opties in een tas, de ogen en lippen dik aangezet, wuif ik naar man en zonen, stap in mijn auto en ga op weg naar Laren.

Aangekomen bij de fotograaf druk ik op de bel en wordt de deur geopend door een vrolijk lachende vrouw  met lang blond haar. We stellen ons aan elkaar voor, ze heet Vicky Keulen, schudden handen en aan niets merk ik dat zij mijn klamme zweet in haar handpalm moet voelen. Na thee en het bewonderen van haar prachtige kitten is mijn spanning weer naar een aanvaardbaar niveau gedaald, als Vicky me vraagt haar te volgen, de trap op waar ze haar studio heeft. Pats, mijn hart zit weer in mijn keel en de beelden die op mijn netvlies verschijnen zijn nog dramatischer dan na het telefoontje dat deze missie aankondigde.

Boven aangekomen staan de camera, de witte paraplu’s, die vast anders heten, de lichten en de schermen al klaar. Eerst schiet Vicky wat proefplaatjes om de belichting te checken en zie ik op haar laptop dat mijn glimlach meer wegheeft van een grimas. De fotografe echter blijft haar vrolijke zelf en complimenteert mijn uitstraling. Ik vraag mezelf af of ze misschien last heeft van slechte ogen.

Dan begint het echte werk en ik probeer verschillende poses. Langzaam maar zeker begint het opgeruimde en vriendelijke karakter van Vicky bij me binnen te komen en als er ook nog een windmachine aan te pas komt, vervliegen al mijn angsten. Oké, allemaal is misschien wat overdreven maar zoetjesaan begin ik me meer en meer te ontspannen. Voor ik het weet is het hele gebeuren slechts geschiedenis en zit ik beneden op de bank opnieuw aan de thee. De laptop staat op een tafeltje voor me en een voor een verschijnen de foto’s op het scherm. Al kijkende doe ik mezelf een belofte. Mocht mijn hoofd ooit weer voor de eeuwigheid worden vastgelegd dan mag alleen Vicky dat nog maar doen.

Omdat er liefde is, bestaat er geen voorbij.

 Drie jaar geleden was jouw laatste dag op aarde. Daarna begon je plek in het universum. Het troost me, de gedachte dat je ontstegen bent naar een groter iets. Een plek vanaf waar je meer overzicht hebt en waar je de mogelijkheid hebt ons allemaal te volgen en bij te sturen daar waar nodig is.

Maar het doet me ook verdriet dat je, fysiek, niet meer mag meemaken waar je zo van genoten zou hebben, en dan vooral de ontwikkelingen van je kleinkinderen. Want zij waren jouw alles, je wereld waarvoor je bestond. Je was de blauwdruk voor opa-zijn. Dat ze alle zeven hun weg vinden in hun leven, successen boeken, fouten maken, ouder worden en beslissingen nemen waardoor er steeds meer zicht komt op de mooie volwassenen die ze later zullen worden.

Toen je overleed was de oudste tweeëntwintig en de jongste negen. Een leeftijd waarop een opa onmisbaar is, omdat je raad nodig hebt voor een nieuw te kopen auto, omdat je wil stoeien tijdens logeerpartijen, omdat je een fan nodig hebt aan de zijlijn van het sportterrein. En omdat je tegen hem over je moeder kunt klagen, omdat je moeder zijn dochter is, en je daardoor de garantie hebt dat ook opa haar nooit zal afvallen.

Wat hadden er nog veel van deze momenten moeten zijn, maar wat een rijkdom dat er zoveel van deze momenten in onze herinnering zitten.

Over een half jaar wordt je overgrootvader. Een nieuw wondertje dat op aarde komt en waar je enorm naar uit zou kijken. Een gebeurtenis waarin niet alleen een kind geboren zou worden maar dat ook de geboorte van een nieuwe perfecte blauwdruk zou zijn, die van overgrootvader. Want, zonder enige twijfel, heb ik de volle overtuiging dat jij ook die rol met verve zou vervullen.

Toch heb ik ook de overtuiging dat je nog steeds ergens bent. Je loopt weliswaar op een ander pad, een voor ons onzichtbare weg, maar jouw wegen lopen wel naast die van mij. Rationeel weet ik dat je dood bent, emotioneel voel ik het niet zo. Met elke cel in mijn lichaam ervaar ik jouw aanwezigheid, groter en intenser dan toen je jouw plek op aarde nog niet had ingewisseld voor het niet aardse. Je hebt me niet verlaten, dat zou je ook nooit doen. Je hebt alleen een andere dimensie aangenomen.

Maar ondanks dat, is vandaag wel een dag met pijn in mijn keel, met tranen op mijn wangen. Met sloffen, een huispak en thee. Een dag die even stilstaat omdat ratio en emotie vandaag wel gelijkwaardig zijn. Je bent er niet meer, en dat doet pijn.

De geboorte van een debuut.

Al van jongs af aan was ik met woorden bezig. Alles wat ik in mijn hoofd had en niet kon ordenen, schreef ik op. Veel meisjes van mijn leeftijd schreven dagboeken vol. Gaven dit gebonden papier namen en vertrouwden hun woorden toe aan ‘Lieve Eva’, ‘Lieve Sofie’ of gewoon ‘Lief dagboek’, voor degene met minder fantasie of meer realistisch vermogen. Ook ik heb pogingen ondernomen maar had niet de lust, of de discipline, om dit langer dan een dag of drie vol te houden. Daarom werden mijn hersenspinsels gedichten.

Uitgeven, daar dacht ik niet aan. Ik typte mijn woorden op een blanco vel papier, met gaatjes in de zijkant, en deed ze vervolgens in een speciaal voor dit doel uitgekozen multomap. Als ik een foutje maakte moest het hele werk opnieuw. Want gewoon op een knopje drukken waardoor elke verkeerde letter verdwijnt in het eeuwige niets, dat had je niet met een typemachine. En als de inkt halverwege op was, waardoor de letters vager werden, was het niet nieuwe inkt en opnieuw printen. Nee, dan moest ik van voor af aan beginnen. Toch werkte dit ook en zo ontstond mijn eigen gedichtenbundel. Gewoon de voorloper van uitgeven in eigen beheer met maar één exemplaar als uitgave.

Ik werd ouder en paarden en vriendinnen werden belangrijker in mijn leven. Schrijven verdween op de achtergrond maar de woorden bleven. Nu vooral geschreven door anderen en ik verslond menig boek. De jaren gingen in elkaar over en de woorden groeiden met mijn leeftijd mee. Het zelf schrijven verdween naar een vergeten plekje in mijn hoofd.

En toen kwam het jaar 2013.  Het jaar waarin een simpele druk op de deurbel, in de vroege ochtend van een donkere dag in februari, alles deed veranderen. Op deze ochtend verdween mijn kind, tussen twee geüniformeerde mannen in,  en zou nooit meer terugkomen. De jongen die ik bijna twee weken later weer terug zag, zou nooit meer kind zijn. Mijn kind was me voorgoed ontnomen door misdadige leugens en justitie met tunnelvisie.

Om tijdens deze periode overeind te blijven en overzicht te houden, greep ik terug op wat ik als kind al deed. Ik schreef mijn gedachtes, gevoelens en dat wat er gebeurde op.  De aantekeningen werden uiteindelijk toch dat nooit volgehouden dagboek. Al was ik nog steeds zo’n realist om dat schriftje geen naam te geven. Het dagboek werd een boek. Een wraakboek, vol boze woorden en haatdragende zinnen. Ik las het boek en ik herkende mijn geschiedenis. Alleen mezelf vond ik er niet in terug. Ik las over een vrouw die aan het overleven was, haar gezin koste was kost overeind wilde houden, gerechtigheid probeerde te krijgen. Maar die ook, in die strijd, zichzelf dreigde te verliezen. Dat wilde ik niet. Dat gunde ik ook de daders niet.

Ik besloot het wraakboek te gaan herschrijven. Om uiteindelijk een boek te schrijven over onrecht, schuld en schaamte. Maar bovenal een boek over de liefde van een moeder voor haar zoon.

Ik schreef me in bij de Schrijversacademie waar ik in september 2014 begon aan mijn basismodules. Daan Remmerts de Vries werd mijn leermeester. Nadat hij me de fijne kneepjes van het schrijversvak had bijgebracht ging ik me specialiseren bij Carla de Jong. Mijn wraakboek kreeg steeds meer vorm en werd langzaam maar zeker minder boze woorden en meer een psychologische thriller. Op advies van Carla ging ik met haar mee naar de Queridoacademie in Amsterdam. Uiteindelijk werd mijn manuscript aangeboden bij een grote uitgeverij. Het werk waar ik zo trots op was, en waar ik voor de volle honderd procent achter stond, werd niet geheel goedgekeurd door de betreffende redacteur. Hij vond het niet literair genoeg voor een roman en niet slachtoffer genoeg voor een non-fictieboek, omdat ik niet alleen mijn verhaal had belicht, maar ook de kant van de meisjes. De vorm die het manuscript nu had zou voor geen enkele redacteur aantrekkelijk zijn om uit te geven, was zelfs een opmerking in mijn leesrapport. Maar beide door de redacteur voorgestelde vormen, wilde ik niet schrijven. Dus stond ik voor een groot dilemma. Besloot ik de vorm te veranderen om mijn werk uitgegeven te krijgen, iets wat inmiddels wel hoog op mijn bucket list stond, of bleef ik trouw aan mezelf en dat waarin ik geloofde.

Het werd het laatste en ik stuurde mijn manuscript op naar een paar andere uitgeverijen. Tot mijn grote verbazing kreeg ik van drie redacteuren terug dat zij interesse hadden in mijn manuscript. Uiteindelijk ging ik op gesprek bij de uitgeverij die bij het bezoek aan hun website voor mij al heel goed voelde, De Crime Compagnie. Hun ontvangst was als een warm bad en hun enthousiasme over dat wat ik geschreven had, werkte aanstekelijk en voelde als een enorme eer. Al tijdens dat gesprek besloten we samen in zee te gaan en zal maart 2017 mijn debuut Geen kind meer in de boekhandel liggen.