Kort verhaal: ‘De dag dat mijn oma verdween’.

Ik weet niet meer hoe het begon, maar ik denk dat het was op de dag dat mijn oma besloot dat het genoeg geweest was. Ze kroop in de kelder, verschanste zich achter de trap, en kwam daar niet meer vandaan.

Mijn opa, mijn moeder, mijn vader, en ja, zelfs ik hebben vereende pogingen gedaan om haar daar weer achter vandaan te krijgen.

Mijn opa werd boos. Verweet haar egoïsme en liet haar met veel woorden weten wat hij van haar verdwijning vond.

Mijn moeder smeekte en huilde. Riep dat ze niet zonder haar moeder kon en haar woorden kropen klaaglijk over de trap naar beneden, waar mijn oma geen enkele blijk van gehoor gaf.

Mijn vader was meer van de daden. Hij liep stampend de treden af, slingerde zijn arm onder het hout door, maar zijn vingers vingen niets anders dan spinnenwebben en stofvlokken.

En ik, ik danste voor de kelderdeur op en neer, zong de liedjes die ik van mijn oma geleerd had en hoe langer ze wegbleef, hoe vager de woorden in mijn hoofd werden en hoe meer ik er zelf bij verzon.

Zo begon het dus, mijn passie voor schrijven. Want mijn oma kwam niet meer uit de kelder vandaan. Ik werd groter, en groter. Waar ik eerst staande de keldertrap af kon dalen, moest ik gaandeweg de jaren steeds meer voorovergebogen naar beneden. In het begin zocht ik nog naar een teken van leven onder die trap. Maar ook dat werd minder en uiteindelijk waren het slechts de pakken sap of  de door mijn moeder ingewekte groenten waarvoor ik het donkere vochtige hol inging.

Uiteindelijk bestond het gezicht van mijn oma nog slechts als afbeelding in een lijstje op de schouw en was haar naam een inscriptie geworden op de grafsteen van mijn opa. Ook mijn oma stond inmiddels met twee data op een zerk naast die van mijn opa, maar ik heb altijd getwijfeld of ze daar echt huisde of nog steeds in de kelder verbleef.

Langzaam maar zeker kreeg mijn moeder steeds meer de grijze haardos van mijn oma en rimpelde haar gezicht in dezelfde plooien als de vrouw die onder de trap verdween. Ik ging het huis uit en trok de wijde wereld in.

Ik verloor mijn hart in Parijs, mijn portemonnee in Londen en mijn leven in Berlijn. Bijna. Nog net op tijd kon ik wegduiken voor de oude Trabant die me luid toeterend, de bestuurder met grote bewegingen gebarend, op de Kurfürstendamm bijkans van de sokken reed.

Uiteindelijk verloor ik dan ook mijn wilde haren en settelde me, met kat, in het huis van mijn ouders, die inmiddels in de woning van mijn opa en oma getrokken waren, dat naast het mijne stond.

Vele uren bracht ik door op een kamertje, helemaal aan het einde van de gang op de eerste verdieping,  dat zo klein was dat, als ik in het midden ging staan en mijn beide armen uitstak, de muren kon raken. Ik schreef schriften vol met letters, woorden, zinnen en gooide ze in de hoek als het weer het verhaal geworden was, waarvan ik zeker wist dat niemand het wilde lezen. Hoe meer tijd er verstreek, hoe meer papieren er tegen de muur van mijn kamer belanden en hoe minder ver ik mijn beide armen uit hoefde te steken om de wanden te raken.

Regelmatig kwam mijn moeder mijn huis binnen. In een vlaag van verstandsverbijstering had ik haar mijn huissleutel gegeven en ik was nog altijd niet dapper genoeg geweest om deze terug te vragen.

Daar waar ze eerder smekend mijn oma onder de trap uit probeerde te halen, gebruikte ze de woorden nu, om me sociale vaardigheden op te dringen en me vaker mijn huiskamer in te dirigeren. Dat ik voldoende had aan goede gesprekken met mijn kat leek ze niet te kunnen begrijpen. En dat ik me verloren voelde in de huiskamer, waar de geraniums als dorre overblijvers van mijn moeders hang naar mijn gezelligheid, op de vensterbank stonden, werd met veel geweeklaag niet aanvaard.

Uiteindelijk kwamen we tot het compromis dat ik elke even dag van de week bij mijn ouders zou eten. De oneven dagen waren voor mij en voor mijn hersenspinsels die ik aan het papier toevertrouwde en waarvan ik ooit hoopte dat ze voldoende gegroeid waren om mijn huis uit te gaan en hun weg te vinden naar de planken van een gerenommeerde boekhandel. Vooralsnog waren mijn gedachteniskindjes net zo schuw het veilige huis te verlaten als dat ikzelf was. Steeds vaker kwam ik tot het besef dat ik ook mijn moed, om meer van de wereld te zien dan het huis van mijn ouders, in een van de wereldsteden verloren was. Of misschien had ik het nooit gehad. Waren mijn omzwervingen slechts een mislukte poging geweest om de strakke vleugels van mijn moeder te ontvluchten.

Zo regen de dagen zich aaneen. Bepaalde het feit of het een even of een oneven dag was, het ritme van mijn leven.

Ook mijn haren kregen meer en meer de kleur van de haardos van mijn verdwenen oma en had ook ik de rimpels om de ogen die ik terugvond in het lijstje, waar mijn oma’s beeltenis steeds meer een vage vlek geworden was.

De dag kwam dat eerst mijn vader en later ook mijn moeder nog slechts afbeeldingen waren in lijstjes op mijn schouw en dat ze ook nu nog naast mijn opa en oma huisden, maar dan in een langwerpig gat in de grond zonder huisnummer, maar wel hun namen als aanduiding. Ik voor de keuze kwam te staan of ik in mijn woning zou blijven of in de voetsporen van mijn ouders zou treden en samen met mijn kat Nummer Twee, Nummer Eén was enkele jaren geleden van ouderdom overleden, in het buurhuis zou trekken.

Uiteindelijk kroop het bloed waar het niet gaan kon, verkocht ik mijn huis en wisselde mijn huissleutel in voor die van wijlen mijn vader en moeder. De weinige bezittingen die ik had waren zo verhuisd. De kamer vol vergeten verhalen overhuizen, inmiddels waren de muren zo dicht naar elkaar toegekropen dat ik door ruimtegebrek mijn heil in een andere kamer had gezocht, besloeg meer tijd. Toch lukte het me binnen de afgesproken tijd en at ik vanaf nu ook de oneven dagen in het huis van mijn ouders. Dat in feite nu mijn huis geworden was, maar nog niet zo voelde.

Nummer Twee eigende zich de huiskamer toe en ik verplaatste de geraniums van mijn moeder, die op haar vensterbank wel in leven waren gebleven, naar de keuken, waar ik ze al gauw vergat en ze niet veel later net zo dor waren als degene die ik in  mijn oude huis had achtergelaten. De kat lag op de vrijgekomen plek en socializede met de poes van onze nieuwe buren. Regelmatig drongen haar opgewonden miauwende klanken door mijn vloer mijn schrijfkamer binnen en brachten ze me even terug naar Parijs.

Uiteindelijk verloor ook zij haar hart. Niet in de Franse hoofdstad zoals ik, maar gewoon thuis op de vensterbank. Buurtpoes verloor haar leven, en niet bijna op de Kurfürstendamm, maar gewoon in de Kerkstraat, bij ons voor de deur, toen een splinternieuwe Volkswagen haar vol raakte voor het oog van Nummer Twee.

Kat likte haar wonden en braakte met de haarballen ook haar verdriet naar buiten. Ik gebruikte  het lesbische en dramatische liefdesleven van poes ter inspiratie voor een volgend schrift, dat maanden later even onbruikbaar als al die andere verhalen, tegen de muur van mijn kamer belandde.

Wat mijn moeder nooit gelukt was, lukte mijn mislukte schrijfambitie wel. Volledig inspiratieloos verliet ik mijn schrijfkamer en betrad het domein van poes. Wat onwennig kroop ik op de bank waar het niet lang duurde of ook Nummer Twee doorbrak haar gewoontes. Ze klom van de vensterbank en kroop naast me op de bank. Even later had ze bezit genomen van niet alleen mijn net verworven lievelingsplek, maar had ze ook de bovenkant van mijn benen ingepikt. Zo samen soezend sluimerde de avond verder en verdween het daglicht voor het avondlicht, om uiteindelijk over te gaan in het donker van de nacht. Poes snurkte zachtjes en mijn benen voelden dof en leken steeds minder een onderdeel van mijn lichaam. Maar ik had het lef niet om de kat van me af te gooien en zo viel ik in slaap. In mijn dromen ging ik terug naar Parijs waar ik niet mijn hart verloor, maar waar de kerkklokken luidden en we met het vliegtuig op huwelijksreis gingen naar Londen. Ook hier raakte ik aardig berooid, al was de oorzaak deze keer niet een verloren portemonnee, maar een pinpas zonder oneindig krediet en een te grote hang naar luxe. Uiteindelijk eindigden we in de straten van Berlijn, waar we de Kurfürstendamm gemakshalve oversloegen.

Met een plof  verplaatste Nummer Twee zich via mijn buik naar mijn gezicht, net op het moment dat ik mijn Franse adonis vurig kuste. Ik werd wakker met een mond vol haren en gedroomd leven armer. Sloffend sleepte ik me de trap op, mijn schrijfkamer in, waar ik een nieuw schriftje pakte. De foto van mijn  oma, die haar plekje op de schouw af had moeten staan aan mijn ouders, en inmiddels nog nauwelijks zichtbaar ingelijst op mijn bureau stond, zette ik zo neer dat ik me kon verbeelden haar gezicht nog te zien. Ik likte aan het puntje van mijn potlood en zette de eerste letters op het nog maagdelijke witte papier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *